Altijd op zoek naar de verloren tijd

Het loodzware verleden van Feyenoord
‘The future ain’t what it used to be’
Yogi Berra, New York Yankees

In 1970 was Feyenoord de beste ploeg ter wereld. Vijfendertig jaar later is De Kuip nog steeds niet klaar met juichen. Waarom toch dat verbeten gevecht tegen de vergankelijkheid?

Door Michel van Egmond

Er rijdt een taxi door Buenos Aires. Achter het stuur zit een man met een zwart snorretje. In de passagiersstoel herkennen we het lange lijf van Herman Kuiphof. De onvolprezen verslaggever heeft de kijkers in Holland net uitgelegd dat Buenos Aires ‘een grote moderne stad’ is. Het is september 1970. De tijd dat je als journalist nog gerust een taxichauffeur kunt opvoeren in je buitenlandse reportage, zonder het risico te lopen bij terugkeer te worden doodgeschoten door je hoofdredacteur.
‘En wat vindt onze taxichauffeur van Estudiantes?’ vraagt Kuiphof.
‘Para mi es uno equipo bárbaro,’ zegt de man met het kleine zwarte snorretje.
De verslaggever draait zich om naar de achterbank en richt het woord tot de camera.
‘U hebt het gehoord, uno equipo bárbaro. Dat wil zeggen een barbaars goede ploeg. Barbaars in de gunstige zin van het woord, willen we hopen.’
Het is duidelijk dat Kuiphof de stemming er graag nog even inhoudt. Maar diezelfde avond zeilt vanaf de tweede ring van het stadion een munt, precies op het voorhoofd van Jan Boskamp. Nog voor de warming-up is begonnen, wordt de eerste bloedende Feyenoorder al afgevoerd. Voorzitter Guus Couwenberg overweegt serieus zijn ploeg alsnog terug te trekken uit de strijd om de Wereldcup.

Het is dan de tweede keer dat de leiding van Feyenoord erover denkt om de equipo bárbaro lekker in zijn sop gaar te laten koken. In Nederland had Feyenoord-manager Guus Brox al veel eerder zijn vraagtekens gezet bij het nut van de hele onderneming. Bij het horen van de naam Estudiantes de la Plata hadden zich bij Brox dezelfde gruwelbeelden opgedrongen als bij elke andere voetballiefhebber in de beschaafde wereld. Die van de dichtgeslagen ogen en het bloederige shirt van Nestor Combin. Een jaar eerder had de spits van ac Milan er na de confrontatie met de Estudiantes uitgezien alsof hij een etmaal in een droogtrommel had doorgebracht. Nee, het is dat Ernst Happel op zijn strepen was gaan staan, anders had Feyenoord de wedstrijd om de Wereldcup liever laten schieten.
Onder de Argentijnen is dit een onvoorstelbare gedachte. Voor hen heet de Wereldcup niet voor niets de Wereldcup. De Zuid-Amerikanen beschouwen de beker als de hoogst haalbare prijs voor elk clubteam. Maar in Nederland, waar Feyenoords aanvoerder Rinus Israel dat jaar wordt gekroond tot voetballer van het jaar, is men iets minder gepassioneerd. 
‘En?’ vraagt journalist Joop Niezen tijdens de ceremonie aan Israel, ‘wat vind je ervan om eventueel te gaan strijden om die Wereldbeker? Zeg je daar nee of zeg je daar ja tegen?’ ‘Nou,’ zegt Israel, ‘ik vind het altijd wel leuk om effe te voetballen.’ 

En er wordt dus gevoetbald. Eerst in Buenos Aires, waar Feyenoord zich geen moment op zijn gemak voelt. De ploeg raakt eerst geïntimideerd en vervolgens geïrriteerd door de sinistere sfeer in de omgeving, al het prikkeldraad om het hotel en de constante politiebewaking.
Sommige Feyenoorders gaan zelfs spoken zien. Eddy Treijtel vermoedt al na de eerste training, dat de gemene Argentijnen de doelen stiekem met vijf à tien centimeter hebben verhoogd. Hij kan opeens niet meer bij de lat. De keeper klaagt erover bij Kuiphof. Die laat gelijk de palen nameten: precies 2,44 meter. Er is niets mis met die goals. ‘Kan het zijn dat je het je inbeeldt?’ vraagt Kuiphof op zijn vriendelijkste toon. 
‘Nee,’ zegt Treijtel, ‘of ik moet zijn gekrompen tijdens de reis van Rotterdam naar Buenos Aires.’
Dat laatste is ongetwijfeld een grap, maar op de wedstrijddag is er plotseling alle reden om daaraan te twijfelen. Treijtel blundert tot twee keer toe. Feyenoord komt met 2-0 achter. Middenin de nacht ziet Nederland hoe aan de andere kant van de oceaan een gevecht op leven en dood wordt uitgevochten. Kindvall en Van Hanegem maken, met gevaar voor eigen leven, ieder alsnog een goal. De 2-2 is een goede uitgangspositie voor de return.
In Rotterdam volgt een ontknoping uit een stripverhaal. Het spijkerharde spel van Estudiantes wordt uiteindelijk afgestraft door een bebrilde supersub, van wie geen enkele Argentijn ooit heeft gehoord. Het is Joop van Daele uit de Pantserstraat 4b. Een jongen van Varkenoord met de hoekige motoriek van een tot leven gewekte vogelverschrikker, maar met een schot als een kanon in zijn benen. Hij velt Estudiantes met een schuiver in de hoek en verspeelt zijn bril. De rest is geschiedenis. Althans, dat zou het moeten zijn. Maar de realiteit is, dat je nooit meer iemand over deWereldcup hoort. De herinnering aan die twee heroïsche najaarsavonden in 1970 is grotendeels teruggebracht tot de geknakte bril van Joop uit de Pantserstraat. De rest van het verhaal is langzaam maar zeker verzwolgen door de eeuwig groeiende legende rond een heel andere beker.


Vier maanden voor de wedstrijd tegen Estudiantes maakte Feyenoord namelijk met frisse tegenzin 25.000 gulden over naar het UEFA-hoofdkantoor in Zwitserland. Niet veel later arriveerde in De Kuip een met rood fluweel gevoerde kist, afkomstig van een zilversmid uit Bazel. In die kist zat een replica van de Europa Cup 1. De kopie was weliswaar zo’n tien centimeter kleiner dan het origineel dat kort daarvoor in Milaan was gewonnen, maar toch groot genoeg om direct uit te groeien tot het pièce de résistance van Feyenoords prijzenkast.
Tegenwoordig staat de replica tentoongesteld in het Home of History. Daar werkt hij nog dagelijks als een magneet op Feyenoord-supporters uit het hele land. In een Proustiaanse processie schuifelen ze langs de glazen vitrines, op zoek naar de verloren tijd.
Feyenoords eigen museum is uniek in zijn soort. Topstukken in de collectie zijn de restanten van de bril van Joop van Daele en de opgezette meeuw die ooit op Spangen door Eddy Treijtel werd vermoord. De twee UEFA Cups en de Wereldbeker staan er ook. Toch zoeken bij binnenkomst alle ogen naar hetzelfde: de Europa Cup 1. Het is Feyenoords eigen heilige graal. In Rotterdam wordt de beker aangestaard alsof het een zeldzame opgravingsvondst is.

De verbazing over Feyenoords prestatie op 6 mei 1970 is altijd groot geweest. Dat is al terug te horen in het wedstrijdcommentaar van toen. Herman Kuiphof had die avond in San Siro meer dan 120 minuten de tijd om te verzinnen wat hij zou gaan zeggen, in het theoretische geval dat Feyenoord daadwerkelijk de finale zou winnen. Maar toen het eenmaal zo ver was, en Rinus Israel inderdaad als eerste Nederlander de Europa Cup 1 in de lucht mocht steken, schoot Kuiphof even niets anders te binnen dan:
‘Hoe is het mogelijk?’
En daarna, nog een keer:
‘Hoe is het mógelijk?’

Vrijwel direct na de verovering raakte het Feyenoordlegioen gefascineerd door zijn eigen cup. Op 7 mei, een dag na de finale, kwamen al bijna een kwart miljoen supporters op de Coolsingel bijeen voor een eerste glimp. Later trotseerden nog eens duizenden Rotterdammers lange rijen in de stad om zich te laten fotograferen met de beker.
In de jaren die volgden, nam de fascinatie voor het kroonjuweel alleen maar toe. In 1994, op de grote Feyenoord-tentoonstelling in de Kunsthal, stond de cup in een speciale constructie tentoongesteld. Die constructie bood de bezoekers de mogelijkheid hun hand door een gat te steken. Zo konden ze de beker even aanraken. Het bleek een gouden vondst. Weer gingen Feyenoord-supporters massaal in de rij staan voor hun grootste schat. Sommigen van hen wekten de indruk in hun aanraking een heilzame werking te vermoeden. Hoe meer Rotterdamse vingers in die dagen over het koude edelmetaal gleden, hoe meer je het gevoel kreeg dat de Kunsthal eigenlijk in Lourdes stond. 
De fans hadden hun cup toen bijna een kwart eeuw niet meer van dichtbij gezien. Op 10 mei 1970, vier dagen na de glorieuze overwinning op Celtic, was hij voor de derde en laatste maal aan het legioen getoond. Op die dag, precies tien minuten voor de wedstrijd tegen Holland Sport, werd hij door Kindvall en Israel het veld op gedragen. Ook zij die het nog steeds niet wilden geloven, konden het toen dus met eigen ogen zien: de Europa Cup 1 was echt van Feyenoord. Er was geen andere conclusie meer mogelijk dan dat het waar was wat de kranten schreven. Dat Celtic in Milaan inderdaad met 2-1 was verslagen.

Tweeëndertig jaar later draagt Ove Kindvall voor de tweede maal in zijn leven de Europa Cup De Kuip binnen. Ditmaal wordt hij geholpen door Willem van Hanegem. Het is juli 2002, Feyenoords Open Dag. De officiële supportersvereniging brengt vandaag een eerbetoon aan de helden van toen. Eigenlijk is dit het voorprogramma, maar bij veel supporters staat het kippenvel al duimendik op de armen. Willem, Ove én de Cup: tegen zo veel nostalgie zijn maar weinigen bestand.
Straks zullen de helikopters weer boven het stadion ronken en vers bloed afleveren in De Kuip. Traditioneel is dit tenslotte een dag van de toekomst. Maar nog voordat Kindvall en Van Hanegem de middenstip hebben bereikt, is de klok alweer 32 jaar teruggezet. Helemaal als Kindvall na enig aandringen de beker optilt en nog één keer boven zijn hoofd houdt. De Kuip smelt bijna weg. Het is alsof een zwart-wit foto tot leven is gekomen. 
Het legioen spint van genot, als nog veel meer helden uit de clubgeschiedenis opduiken. Cor van der Gijp en Frans Bouwmeester komen de spelerstunnel uit. Ze dragen de Gouden Bal. Eddy Treijtel en Coen Moulijn volgen met de Wereld Cup. Ben Wijnstekers en Mario Been met de kampioensschaal uit 1984. John de Wolf, Ruud Heus en Henk Fräser met de Johan Cruijffschaal. Het legioen staat op voor zijn eigen verleden en klapt zich een schouderfractuur.
Objectief beschouwd is het vrij lachwekkend om dik veertigduizend mensen op een woensdagmiddag hartstochtelijk te horen juichen voor een beker die al drie decennia stof staat te vergaren in de eigen prijzenkast. Toch krijgen dit soort rituelen in De Kuip al snel iets ontroerends. Dat komt door de diepe ernst en toewijding waarmee ze worden uitgevoerd. Gevoel voor ironie is er op dit soort momenten een onbekend begrip. (Dat geldt trouwens voor de meeste voetbaltribunes. Tijdens de recente All Star-wedstrijd voor de slachtoffers van de tsunami zetten de toeschouwers massaal de wave in. Ook dat vond niemand vreemd.)
Nee, de enigen die zich op deze Open Dag een beetje ongemakkelijk voelen, zijn de hoofdrolspelers zelf. Bij het betreden van het veld verraadt hun lichaamstaal een licht gevoel van gêne. Vooral Willem van Hanegem kan dat maar slecht verbloemen. Bijna schoorvoetend sleept hij de Europa Cup met zich mee, alsof het een boodschappentas vol lege statiegeldflessen is. Als hij op het eind van de zonderlinge ceremonie wordt geïnterviewd, heeft hij de cup nonchalant naast zich in het gras geplant. Het lijkt vervolgens alleen nog een kwestie van tijd voordat hij er een sigaret in zal doven.
Na wat inleidend gebabbel stelt de spreekstalmeester al snel de onvermijdelijke vraag. ‘En? Wanneer kom je weer terug naar Feyenoord, Willem?’ 
Even houdt het legioen de adem in.  
Nou…’ zegt Willem.
De Kuip begint ouderwets te zoemen. Er wordt al jaren gedroomd van een terugkeer van Van Hanegem. Er is nooit enige aanleiding geweest om te denken dat dat ook echt gaat gebeuren, maar met die Kromme weet je het natuurlijk nooit. 
Totdat Van Hanegem de betovering verbreekt. 
‘Misschien als ze hier een nieuwe portier nodig hebben.’
Het legioen komt niet meer bij. Zó’n leuke grap was het nu ook weer niet, maar Willem is hier al lang geleden heilig verklaard en dus wordt er door iedereen hard gelachen. Daarna pakken Van Hanegem en Kindvall elk een oor van de Europa Cup en keren ze terug naar hun schimmenrijk.

Datzelfde jaar, in Milaan. Ove Kindvall heeft de mouwen van zijn overhemd opgerold. Het is een warme dag in Lombardije. Vanavond speelt Feyenoord de halve finale van het UEFA Cup-toernooi tegen Internazionale. Kindvall is hier op uitnodiging van zijn oude club. In tegenstelling tot wat gebruikelijk is in Nederland, maakt Feyenoord er een gewoonte van zijn iconen goed te verzorgen.
Op zijn gemak kuiert de levende legende naar de Piazza del Duomo. Lang duurt die wandeling niet. Zodra Kindvall wordt herkend, stromen uit allerlei hoeken en gaten Feyenoord-supporters toe. Ze komen op hem af als op toverdrank. Al snel is Kindvall ingesloten. Net als toen galmt zijn naam weer door Milaan. Ove Kindvall! Ove Kindvall! scanderen de supporters. Het traditionele ay ay ay ay, ay ay! heeft de tand des tijds niet doorstaan. Weer heeft Ove Kindvall alleen al door zijn verschijning de klok weten terug te draaien. Hij is al 27 jaar gestopt met voetballen, maar als je niet beter wist, zou je denken dat hij zojuist heeft gescoord. Niemand denkt nu meer aan Inter, Van Hooijdonk of de UEFA Cup. Net als op die warme meinacht in 1970 draait alles in Milaan weer om Ove.
Diezelfde avond, in een nog leeg San Siro, pakt Kindvall mijn arm. ‘Moet je horen…’ Hij vertelt over een meisje met wie hij die middag op de foto was gegaan. Bedankt voor de foto, had ze gezegd, voordat ze zich weer bij haar vrienden had gevoegd. ‘Maar daarna kwam ze terug,’ vertelt Kindvall. ‘Bedankt voor de foto, zei ze weer, maar vooral nog bedankt voor het doelpunt.’ Nu schiet Kindvall in de lach. Hij knikt naar de grasmat van San Siro. ‘Ik schat haar eind twintig. Dat betekent dat toen ik hier scoorde, zij nog niet geboren was.’

Ove Kindvall bereikte in Rotterdam alles waar hij ooit als jongetje in Norrköping van droomde, maar als je hem vraagt wat hij het meest mist aan zijn tijd in Nederland, zegt hij: ‘Satésaus. Zulk vlees heb je bij ons ook nog wel. Maar goede satésaus is in heel Zweden niet te vinden.’
We zitten in de brasserie van De Kuip. Kindvall is hier vanmiddag vanuit Zweden in één rechte lijn naartoe gereden. De eerste portie saté is zojuist gearriveerd. Tussen twee happen door vraag ik of hij het borstbeeld van Ernst Happel al heeft gezien.
‘Nee,’ zegt Kindvall, en dat is vreemd, want bij binnenkomst in het Maasgebouw bots je er bijna tegenop.
‘Heb je zin om het te bekijken?’
‘Ja hoor. Straks, oké?’
Geschiedenis voelt kennelijk niet aan als geschiedenis als je er zelf het middelpunt van bent. Ove Kindvall leeft daarom liever gewoon in het heden. Hij heeft meer trek in een slokje bier dan in een borstbeeld. Echt bier dan, niet de uilenzeik die in zijn eigen land voor bier moet doorgaan. ‘Dat borstbeeld,’ probeer ik, maar ik kan mijn zin niet afmaken. Kindvall knikt naar het afgekloven stokje in zijn hand. ‘Dit heb ik nou echt gemist.’ Vergis ik me, of kreunt Ove Kindvall er ook zachtjes bij?

Het cliché zegt dat alle goede spitsen klootzakken zijn, maar het bewijs dat die stelling niet klopt, veegt even later de satésaus van zijn mondhoeken en neemt de roltrap naar de ingang van het Maasgebouw. Daar komen we oog in oog te staan met Ernst Happel.
‘Hij is goed gelukt,’ zegt Kindvall.
‘Jammer dat hij niet rookt,’ zeg ik.

l snel glijdt Kindvalls blik af naar de grote foto op de achtergrond: het gouden elftal op het bordes van het stadhuis. Er zijn ontelbare Feyenoord-supporters die hun ogen maar hoeven te sluiten om die foto op hun netvlies geprojecteerd te krijgen, maar de hoofdrolspeler zelf kijkt er met grote verbazing naar. Zijn ogen scannen de gezichten. Israel, Van Daele, De Kromme, Ove zelf… 
‘Mijn God, wat waren we allemaal nog jong!’ 
Voor Kindvall is het allemaal lang geleden. 
Veel langer geleden dan voor de meeste supporters.

De impact van Kindvalls trage lob op 6 mei 1970 is misschien het best af te lezen aan het lot van de spitsen die het na hem mochten proberen in De Kuip. In de lange schaduw van die goal verschrompelden de meesten tot minkukels. Hun namen duiken nu alleen nog op bij voetbalquizzen in het land. De vraag ‘noem twintig mislukte spitsen van Feyenoord’ is in die kringen zelfs een klassieker geworden. Verder hoor je nooit meer iemand over Piet Keur, of Clyde Best, of Hans Posthumus, of Jupp Kaczor of hoe ze ook allemaal mogen heten. Maar over Ove Kindvall raakt Rotterdam nooit meer uitgepraat.
‘Daar ben ik natuurlijk trots op,’ 
zegt Kindvall, voordat hij weer afscheid neemt. 
‘Toch zou ik het niet erg vinden als mijn naam niet meer zo vaak genoemd wordt in De Kuip.’
‘Waarom niet?’
‘Het zou betekenen dat de club meer toekomst dan verleden heeft.’

Dan laat Kindvall me alleen bij het borstbeeld. Ik kijk Happel diep in de ogen. Hij staart stoïcijns terug. Ik moet denken aan de foto in Feyenoords perszaal. Vlak achter het spreekgestoelte, vanwaar de trainers na elke wedstrijd de journalisten iets op de mouw spelden, hangt Happels portret. Niemand weet wie het uitgerekend dáár heeft opgehangen, maar de keuze verraadt in elk geval een goed gevoel voor symboliek. Vanaf die plek kijkt de wondertrainer vrijwel letterlijk over de schouders van zijn opvolgers mee.

Ernst Happel is Feyenoords eigen Big Brother. Vooral als het slecht gaat, kunnen de trainers van Feyenoord zijn priemende blik steeds nadrukkelijker in hun rug voelen. Op zulke dagen lijkt het vaak alleen nog een kwestie van tijd, voordat Happel uit zijn lijst zal springen, zijn opvolger van zijn stoel zal duwen en Feyenoord vanachter een rookgordijn weer aan een nieuwe toverformule zal helpen.
Al meer dan dertien jaar is de mysterieuze Ernst Happel dood, maar de cultus rond zijn persoon is levender dan ooit in Rotterdam-Zuid. Het resulteerde tot nu toe in een Ernst Happel-borstbeeld, een Ernst Happelstraat, een Ernst Happel-zaal en een Ernst Happel-stoeptegel. En voor wie dat nog niet genoeg vindt, is er Ernst Happel jr, de zoon die zó sprekend op zijn vader lijkt dat hij niet alleen model stond voor diens borstbeeld, maar ook Feyenoords senior manager Fred Blankemeijer ooit een ogenblik in de veronderstelling liet leven dat hij zijn eerste geest had ontmoet.
In januari van dit jaar, voor aanvang van Feyenoords thuiswedstrijd tegen Vitesse, onthulde Ernst Happel jr. op het veld het borstbeeld van zijn vader. Het duurde heel lang voordat de staande ovatie was weggestorven uit De Kuip. Toen het eenmaal zo ver was, pakte de zoon van de legende de microfoon.
‘Dit kan alleen hier,’ zei Ernst Happel jr.
Daar had hij gelijk in.
Nergens anders rust het verleden zo zwaar op het heden als in Rotterdam.

Het verleden moet een springplank zijn voor de toekomst, maar soms is het in De Kuip meer een comfortabele zitzak. Zoéén waar je gemakkelijk in glijdt, maar verdomd moeilijk weer uitkomt.
Hoe komt het toch dat Rotterdam nog steeds niet is uitgejuicht over de Europa Cup 1? Waarom is alles wat daarna is gebeurd, inclusief de Wereldcup, altijd in de schaduw blijven staan van die ene beker? Waar komt de fascinatie voor de eigen geschiedenis vandaan? Leeft men graag in het verleden omdat de successen zich grotendeels dáár afspelen? Is het omdat iedereen aanvoelt dat Feyenoord nooit meer de Europa Cup 1 gaat winnen? Waarom toch dat verbeten gevecht tegen de vergankelijkheid? En wat zoekt men eigenlijk in dat verleden? Troost? Trots? Beide?

Ik vraag het aan Luuk. Hij is een fanatieke Feyenoord-supporter. Luuk wringt zich bijvoorbeeld graag in allerlei grammaticale bochten om de woorden Ajax en Amsterdam niet te hoeven uitspreken. Hij heeft het altijd over ‘die andere club’ en ‘020’.
Eigenlijk is Luuk een Feyenoord-fundamentalist. Maar als rtl5 op zaterdagmiddag het programma Feyenoord tv uitzendt, hoopt hij toch altijd dat het snel is afgelopen. ‘Wat kan mij het nou schelen wat Pardo in zijn vrije tijd doet?’ zegt Luuk. ‘Ik wacht op de aftiteling.’
Feyenoord tv sluit al vijf seizoenen lang elke aflevering af met de zwartwit beelden uit Milaan. Luuk vindt dat niet meer dan logisch. ‘Israel die voor het eerst de Cup optilt. Dát beeld. Daar krijg ik nou echt kippenvel van.’
Luuk is bijna veertig jaar. Hij heeft met goed gevolg een hbo-opleiding afgerond. Als hij niet op vak X staat, kun je hem wel eens met een boek aantreffen. Luuk houdt van Kafka. Niemand hoeft hem dus uit te leggen dat het allemaal een beetje vreemd is, vijf jaar lang geëmotioneerd raken bij het zien van een beker die werd gewonnen toen je zelf allang met je teddybeer in bed lag. Maar kennelijk kun je toch oprecht heimwee hebben naar een tijdperk dat je zelf helemaal niet hebt meegemaakt.
Gek genoeg denkt Luuk in zijn donkerste dagen ook wel eens dat de Europa Cup-winst juist de grootste ramp is die Feyenoord ooit is overkomen. Luuk vergelijkt het met Celtic, een club die in veel opzichten lijkt op Feyenoord. De Schotten wonnen in 1967 als eerste Britse club de Europa Cup. ‘Dat wekte zo veel verwachtingen, dat het daarna eigenlijk alleen maar kon tegenvallen.’
Misschien heeft hij gelijk. Misschien is het inderdaad geen toeval dat Celtic er een seizoen later in de eerste ronde uitvloog tegen Dinamo Kiev, zoals Feyenoord in 1970 direct weer sneuvelde tegen ut Arad, twee ploegen die nooit eerder deelnamen aan het Europa Cup 1 toernooi. Zou de wet van de remmende voorsprong soms ook op voetbalclubs van toepassing zijn? Feit is dat Feyenoord noch Celtic ooit een tweede Europa Cup 1-finale hebben gewonnen.
En toch: vraag Luuk of hij zou willen ruilen met de erelijst van die andere club uit 020 en hij begint automatisch heel hard met zijn hoofd te schudden.
‘Ruilen? Voor geen goud.’
‘Waarom niet?’
‘Feyenoord zou Feyenoord niet meer zijn.’
‘Hoe bedoel je?’
‘Nou, het steeds maar opnieuw hopen en dan teleurgesteld worden, dat hoort ook heel erg bij deze club. Bovendien maakt het de ontlading extra groot op het moment dat het wél lukt.’
‘Dus je zou het niet prettig vinden om drie keer achter elkaar landskampioen te worden?’
‘O nee. Ik zou ook niet weten hoe ik me moest gedragen.’

Ik moet aan Frank denken. Frank mocht als kind in Hendrik-Ido-Ambacht altijd het gras van Wim Jansen maaien. Vijf gulden kreeg hij, voor de voor- en achtertuin. Hij had trouwens ook best vijf gulden willen betálen als dat moest, want Frankie was verliefd op Feyenoord. Nu is hij dat nog steeds. Waarom weet hij niet precies.
‘Als ik naar Feyenoord ga, verwacht ik helemaal niets,’ zei hij in de Feyenoord Krant. ‘Negen van de tien keer komt dat ook uit. En toch blijf ik gaan. Want die ene keer dat het loopt, wil je echt niet missen. Af en toe een hoogtepunt en voor de rest de schade beperken. Dat is Feyenoord in een notendop.’
Frank is een heerlijke romanticus. ‘Feyenoord is eigenlijk net als Pasen. Je weet dat de kruisiging onbarmhartig en onafwendbaar is, maar ook dat je een wederopstanding nooit helemaal moet uitsluiten.’
‘Feyenoord,’ zei Frank tenslotte, ‘is de club van eerst geloven en dan zien.’
Later stuurt Luuk een e-mail. Hij heeft over ons gesprek nagedacht.

Iedereen denkt dat Feyenoord een grote club is, maar dan vliegen ze er weer uit tegen Przalska Prlwoatytz Prstrov. Maar aan de andere kant: mensen houden meer van verliezers dan van winnaars, omdat ze zich nu eenmaal meer in verliezers herkennen, nietwaar? Dat ongrijpbare, dat is de essentie van onze club. Wees eerlijk: al die pijn, het is ook fijn. ‘Thirty years of hurt, never stopped me dreaming’ is een zinnetje uit een lied over het Engels elftal. Ik verklaar het zomaar van toepassing op Feyenoord.

Feyenoord is dus eigenlijk als een strak aangebonden skischoen: je kunt het knellende gevoel alleen de hele dag verdragen in de wetenschap dat het straks extra lekker voelt wanneer hij weer uit mag. De laatste keer dat Feyenoord- supporters zo’n heerlijk verlossend moment beleefden, was op 8 mei 2002. Toen won hun ploeg de UEFA Cup.
De winst op Borussia Dortmund leverde ontelbare onvergetelijke momenten op, maar een van de ontroerendste was toch wel de supporter die na afloop het stadion uit sprintte en op het voorplein van De Kuip op zijn knieën viel. Hij leek in tranen. De man vertelde dat zijn vader er in 1970 bij was geweest in Milaan. Zelf was hij toen nog te jong. Maar nu, zei hij, nu had hij eindelijk óók een cup. Het was een geluid dat je later meer hoorde onder dertigers. De cupwinst leek een loutering te zijn geweest voor een hele generatie.
Ter plekke zijn op het moment dat clubgeschiedenis wordt geschreven, telt zwaar voor de Feyenoord-supporter. Luuk vertelt over een man die altijd bij hem in de trein naar De Kuip zit. Elke keer wanneer die man een nieuw gezicht in de coupé ontdekt, trekt hij zijn portemonnee. ‘Ik zal jou eens iets bijzonders laten zien,’ zegt de man dan. Iedereen weet wat er dan komt, maar iedereen laat hem begaan. Op het oranje kaartje dat telkens tevoorschijn komt staat met zwarte letters: Milano-Stadio S. Siro. En daaronder, ook in het zwart: Mercoledi ‒ 6 maggio 1970.
Luuk heeft ook alle entreekaartjes van zíjn cup bewaard. sc Freiburg-Glasgow Rangers-psv-Internazionale-Borussia Dortmund: in die volgorde heeft hij ze ingelijst en thuis aan de muur gehangen. Die lijst is een van de eerste dingen die hij ziet als hij ’s ochtends wakker wordt.
Luuk heeft zijn cup en die neemt niemand hem meer af. Hij vindt ook dat hij er recht op heeft. Hij ziet het als een beloning voor jarenlange trouwe dienst.
‘Het enige waar ik nu nog bang voor ben,’ zegt hij, ‘is dat ik over dertig jaar in de trein naar Feyenoord zit en aan iedereen mijn kaartje van Feyenoord-Borussia Dortmund ga laten zien.’
Een vriend in tijdnood aan de lijn. Of ik Coen Moulijn thuis kan ophalen en veilig wil afleveren in Moordrecht, waar hij wordt verwacht voor een televisie-interview. De precieze locatie is een boot die ligt afgemeerd langs een steiger. Die steiger is een beetje gammel. Ook is hij nogal aan de smalle kant. Dat laatste moet ik hem trouwens zelf maar even vertellen.
Ik weet dat Moulijn niet kan zwemmen. Ik weet ook dat hij daarom een bloedhekel heeft aan boten. Maar ik zeg natuurlijk geen nee. Ik ben niet gek.

Daar komt de grootste Feyenoorder aller tijden de trap af. Zijn voetstappen weerkaatsen in het portiek.
‘Fijn dat je me komt ophalen. Ben ik wel om vier uur weer thuis?’
Ik knik en houd de deur open voor Coen Moulijn. Hij glipt langs me heen naar buiten. Zijn leesbril danst mee aan een koordje om zijn nek. Veel voetballers hebben in het gewone leven de neiging tot sloffen. Hij niet. Er huist juist iets onweerstaanbaar opgewekts in het loopje van Coen Moulijn. Het is altijd net of hij op weg is naar een enorme slagroomtaart.

We rijden de Maasboulevard af. Naast me doet de grootste Feyenoorder aller tijden nogal nerveus. Hij plukt aan zijn overhemd, terwijl er niks te plukken valt. Bij rode stoplichten remt hij met zijn rechtervoet zachtjes mee. Uit beleefdheid doe ik net of ik het niet zie.
Goede voetballers zijn vrijwel altijd ook goede automobilisten. Tijd en ruimte zijn voor hen in de loop der jaren steeds minder abstracte begrippen geworden. Dankzij het spel springen ze er veel handiger mee om dan gewone stervelingen. Coen Moulijn is ongetwijfeld ook een goede chauffeur. Maar
als bijrijder is hij een ramp.
‘Het interview is straks op een boot,’ zeg ik, nogal plompverloren.
‘O,’ zegt Moulijn.
Daarna is het een tijdje stil in de auto.
‘Hoe laat zijn we klaar? Ik moet echt om vier uur thuis zijn. De hond, snap je? Hij plast in huis als ik hem niet om vier uur uitlaat. Heb je zelf ook huisdieren?’
De vriendelijke Coen Moulijn is een bezorgd mens. Gek eigenlijk, want zijn motoriek heeft altijd het tegenovergestelde uitgestraald. Als voetballer ontweek hij zijn tegenstanders niet, hij zocht ze juist op. Zijn speelstijl was er een die van de eeuwige optimist. Maar als hem later die middag, op de boot, de klassieke vraag wordt voorgelegd of hij zijn leven zou willen overdoen als dat kon, hoeft Coen Moulijn niet lang na te denken. ‘Nee,’ zegt hij vriendelijk tegen de interviewer.

John zou zijn leven wél graag willen overdoen als dat kon. En hij weet ook precies wat hij dan allemaal anders zou doen. John zou dan namelijk alles, maar dan ook alles, op zijn voetballoopbaan gooien. Hij had het in zich om ver te komen, daarvan is hij overtuigd. Ze zeggen natuurlijk niet zo maar tegen je dat je op Coen Moulijn lijkt.
John is John Corsten, een 57-jarige ex-magazijnbeheerder van een groothandel in caravans. In de jaren zeventig droeg hij speciale visitekaartjes bij zich. Daarop stond:

J. Corsten
Coen Moulijn Imitator

Er bestaan Polygoon-beelden van John. Ze zijn gemaakt in 1972, tijdens de rust van Feyenoord-Ajax. De Rotterdammers werden die dag helemaal aan flarden gespeeld door Cruijff en consorten. Ajax won met 1-5. Desondanks zien we alleen maar lachende Rotterdammers in beeld. Dat is dankzij John. ‘In de rust zorgt een Feyenoord-supporter voor een meesterlijke imitatie van de stijl van Coen Moulijn, die in deze wedstrijd de Feyenoord aanval misschien tot grotere daden kan inspireren,’ zegt de blikken stem van Philip Bloemendal.

Zo groeide John Corsten in de jaren zeventig uit tot een urban legend. In de rust van Feyenoords wedstrijden, als de echte Coen in de kleedkamer zat bij te komen van zijn schijnbewegingen, deed John ze op het lege veld allemaal nog even over. In het Feyenoord-shirt met rugnummer elf, helemaal alleen en zonder bal, liet hij zo 65.000 mensen juichen om fictieve doelpunten. Ook dribbelde hij langs tegenstanders die er helemaal niet stonden. In De Kuip lachte iedereen zich altijd gek om John Corsten.
Iedereen, behalve Coen Moulijn.
Moulijn zelf heeft nooit kunnen wennen aan zijn evenbeeld. Hij voelde zich voor joker gezet door Corsten. Zelf had de imitator juist het idee dat hij zijn idool een groot eerbetoon bracht. Dat verschil in interpretatie heeft ervoor gezorgd dat Moulijn en Corsten elkaar nooit hebben ontmoet. Als Moulijn het veld afging, zag hij Corsten opkomen en andersom. Daar is het altijd bij gebleven. De imitator heeft nooit het lef gehad zijn idool aan te spreken. En andersom bestond de behoefte gewoon niet.
De medespelers van Moulijn hielpen ondertussen ook niet echt mee om de afstand tussen de twee te verkleinen. ‘Kleed jij je maar niet om vandaag,’ zei Guus Haak wel eens in de kleedkamer tegen Moulijn.’We nemen hem wel.’
Dat vond Coen niet leuk.
John komt allang niet meer in De Kuip. Toen zijn idool er in 1972 mee stopte, was de lol er snel af voor hem. Kristensen bleek geen Moulijn en Petur Petursson al helemaal niet. John miste het raffinement in hun spel, de speelsheid, het geniale en de humor. Steeds vaker liet John verstek gaan, net zolang tot hij in het opkomende supportersgeweld een aanleiding vond om helemaal nooit meer terug te keren in De Kuip.
Tot vorig jaar de telefoon ging. De redactie van Feyenoord tv had hem opgespoord. Hoe het ging. En of meneer Corsten misschien nog één keertje…? De volgende ochtend meldde hij zich al in alle vroegte in het stadion.
Het leverde een prachtig filmpje op. We zien John in een lege Kuip uit de spelerstunnel komen. Hij zwaait naar het denkbeeldige publiek. Het is dik dertig jaar na dato. De sintels waarop John zijn eerste optredens gaf, liggen er niet meer. De hele Kuip heeft trouwens een ingrijpende metamorfose ondergaan. Maar dat maakt John allemaal niks uit. Voor hem is het gewoon weer even 1972.
Verslaggever Gido Vader vindt die ochtend al snel de juiste Showroom-toon en laat het Corsten allemaal nog eens uitleggen.
‘Ik heb er een hele studie van gemaakt,’ zegt hij. ‘Hele dagen oefende ik op de bewegingen van Moulijn. Ik ging er speciaal voor naar stiltegebieden. Heerlijk in mijn eentje trainen. Prachtig was dat.’
John vertelt hoe idolaat hij was van Moulijn. Dat hij eigenlijk alleen voor hem naar het stadion kwam. Dat hij al van Coen genoot als hij alleen maar vanuit de spelerstunnel naar de linkerflank wandelde. En dat hij niet de enige was. Hele volksstammen in De Kuip hadden de gewoonte om na rust met Coen mee te verhuizen naar de andere kant van het veld.
En dan volgt het onvermijdelijke: of hij het misschien nog één keertje zou willen voordoen. John Corsten dacht dat die vraag nóóit zou worden gesteld.
‘Voordoen?’
Hij is al onderweg.
Daar dribbelt hij op de linkerflank. Het is november, tien uur in de ochtend. Er hangt een lichte nevel in De Kuip. John draagt een ski-jack en een lange broek. Hij maant zijn fictieve medespelers mee ten aanval te trekken. Zelf is hij al bijna bij de achterlijn.
John trekt voortdurend aan de mouwen van zijn jack, zoals Coen dat aan zijn shirt deed. John is zo kaal als een biljartbal, maar dat weerhoudt hem er niet van om na elke dribbel een denkbeeldige haarlok terug op z’n plek te leggen. Net als vroeger lijkt alles weer vanzelf te gaan. Het is jammer dat hij geen voetbalbroekje draagt, anders zou hij nog een paar keer lekker met zijn duimen langs het elastiek kunnen ritsen.
‘Let op, een hakje!’ roept John vanaf de zijlijn. Hij hakt een denkbeeldige bal en sprint direct zigzaggend de diepte in. Zijn stem echoot na in de lege Kuip. De cameraman geeft aan dat er inmiddels al ruim voldoende materiaal is geschoten, maar John kan nu echt niet meer stoppen.
John is weer Coen geworden.
Hij maakt een wegwerpgebaar naar Cor Veldhoen. Wéér veel te diep gegeven. Coen wil de bal alleen maar in de voeten, dat weet hij toch? Gelukkig heeft Coen al snel weer balbezit. Hup, daar ontwijkt hij een tackle van Neeskens. Nu Suurbier opzoeken, want die kan eigenlijk alleen maar heel hard rennen. Zie je wel, geen probleem. Staat Kindvall al klaar om in te koppen? Voor de zekerheid kapt Coen de dommekracht Hulshof ook nog even uit, voordat hij een perfecte voorzet loslaat.
‘Heerlijk,’ hijgt Corsten, als hij weer voor de camera staat. ‘Schitterend.’
John Corsten woont al jaren op nog geen negenhonderd meter van De Kuip. Iedereen kent hem in deze buurt. ‘Hallo Coen,’ zeggen de mensen, als John door de knusse straatjes van Sportdorp wandelt.
Staand in de huiskamer van de imitator moet ik opeens denken aan Charlie Chaplin, de artiest met wie Moulijn in zijn hoogtijdagen vaak werd vergeleken. Chaplin deed in de Verenigde Staten ooit voor de grap mee aan een Charlie Chaplin-imitatiewedstrijd. Hij schreef zich in onder een schuilnaam en werd tweede.
Als hij met de koffie binnenkomt, vraag ik John of hij ook van Charlie Chaplin hield.
‘Nee,’ zegt hij. ‘Ik hield alleen van Coen Moulijn.’

Corsten vertelt hij hoe het allemaal begon. Dat hij als voetballertje aan zichzelf merkte dat hij speciale bewegingen in huis had. En dat die bewegingen merkwaardig genoeg al op die van Moulijn leken, voordat hij Moulijn ooit had zien spelen. Dat hij tijdens de vriendschappelijke wedstrijd tegen Arsenal op de tribune door vier heren was benaderd: of hij die bewegingen niet in de rust op de sintelbaan wilde doen. Ze stopten hem geld toe. John zei ja. Het was een instant succes. Het publiek ging gelijk uit zijn dak.
‘Zo is het allemaal begonnen.’

John vertelt ook over die keer dat laat op de avond de telefoon ging. De eigenaar van een kroeg in de Hartmansstraat aan de lijn. Er was een feest. En of hij niet even wilde komen. De mensen wilden Moulijn zien. ‘Ik ging. Een half uur later stond ik op de tafels van die kroeg in de Hartmansstraat en deed ik Moulijn na. De mensen werden gek.’
Als snel liet John zijn speciale visitekaartjes drukken. Iedereen kon hem in die dagen bellen. Feyenoord natuurlijk, maar ook andere voetbalclubs. En verder buurtverenigingen, nachtclubs, mensen die een braderie hielden of een winkel te openen hadden, strandtenthouders, café-eigenaren, concertorganisatoren… John zei tegen niemand nee.
Net als bij de echte Moulijn was het repertoire van John Corsten vrij beperkt. Beiden hadden eigenlijk maar één basisbeweging: dreigen naar rechts en links buitenom passeren. Toch was het zowel voor de echte Coen als voor zijn evenbeeld voldoende om er een carrière op te bouwen. Moulijn met bal, John zelfs zonder.
Het zegt veel over de impact van Moulijn dat zijn alter ego nog volle zalen trok op het moment dat de man zelf allang was gestopt met voetballen. Maar het zegt minstens zo veel over het legioen. Het kan zijn lievelingen kennelijk maar zo moeilijk loslaten, dat het liever op de banken gaat staan voor een schim uit het verleden, dan voor het elftal dat daadwerkelijk op het veld staat.

Er is in al die jaren niet zo veel veranderd. Wie er oog voor heeft, ziet de geschiedenis zichzelf constant herhalen in De Kuip. Zo zijn Feyenoords fanshops nooit overlopen door hordes supporters die een Tininho-shirt kwamen kopen. Maar toen het gedemotiveerde Feyenoord vorig seizoen van nec verloor, was de Braziliaan in Nijmeegse dienst de enige die vanuit het Feyenoord-vak gepassioneerd werd toegejuicht. Dat was enerzijds een subtiele sneer naar het eigen elftal, maar anderzijds ook een oprecht eerbetoon. Tininho ontving die middag wat wel meer voormalig Feyenoorders na hun vertrek ten deel viel: applaus met terugwerkende kracht.
Patrick Paauwe maakte vorig seizoen iets vergelijkbaars mee. Hij werd in eerste instantie door zijn eigen supporters verketterd. Totdat Ruud Gullit hem op de bank zette. Toen werd het oordeel over Paauwe met de week milder, net zolang tot je weer mensen begon tegen te komen die zeiden dat het nooit wat met Feyenoord zou worden zolang Paauwe niet meedeed. ‘Hoe langer het publiek je niet ziet spelen, hoe beter je hier wordt,’ stelde Paauwe aan het eind van dat seizoen in de Feyenoord Krant vast.
Het verklaart misschien ook waarom De Kuip volhangt met spandoeken van spelers die allang niet meer voor Feyenoord spelen. De mooiste zijn van Coen de Jong. Coen komt uit het prachtige plaatsje Noorden. Daar runt hij een familiekroeg. Hij is zijn hele leven al Feyenoord-supporter. Coen heeft de slechte tijd meegemaakt, de jaren waarin je als Feyenoord-supporter met knikkende knieën naar Haarlem, Almelo of Den Bosch ging.
‘Ach man,’ zegt Coen, als hij terugdenkt aan die tijd. ‘Helemaal naar Venlo en dan verliezen van vvv. We hebben het allemaal doorstaan, maar het was triest. We stonden op een gegeven moment zó laag, we pleurden bijna uit de krant.’
Maar Coen werd ook kampioen. ‘Jaaah! 1993. Jongens, jongens… Die wedstrijden in Maastricht en Groningen. Als ik daar nog aan denk…’
Coen werd helemaal gek toen Feyenoord in 1993 landskampioen werd. Nog diezelfde dag pakte hij een kwast en schilderde in één ruk de hele kroeg roodwit. Toen de volgende dag de eerste vaste klanten kwamen, stond er opeens heel groot ‘Super Jozsef’ op de voorpui.
Coen heeft veel memorabele momenten meegemaakt in De Kuip. Maar het mooiste was toch wel de dag waarop hij er zijn vader kwijtraakte.
‘Werd ik omgeroepen: ‘Wil de vader van Coen de Jong zich in de radiokamer melden?’ Mijn naam die door het hele stadion ging! Zo indrukwekkend. En nog steeds vind ik dat een prachtige gedachte.’
Coen staat dicht bij de spelers. De meesten kennen hem. Met enkelen sms’t hij soms. Ook met Willem van Hanegem is er sprake van contact. Ze liepen elkaar ooit tegen het lijf op het parkeerterrein. Dat eerste gesprek mondde uit in een weddenschap.
‘Om een frikandel,’ weet Coen nog.
Sindsdien krijgt hij nog jaarlijks een kerstkaart van de familie Van Hanegem.
‘We komen snel een keer langs in Noorden,’ schrijft Marianne dan in sierlijke letters op de kaart. 
Ze zijn nog nooit geweest, en dat gaat waarschijnlijk nooit gebeuren ook, maar dat maakt Coen niet uit. 
‘Het is goed zo,’ zegt hij. Van Hanegem kan weinig fout doen bij Coen. ‘
Willem is voor mij een god,’ zegt Coen en zijn stem klinkt te serieus om in die opmerking een grap te vermoeden.

Coen laat zijn spandoeken voor een godsvermogen maken door een vriend. Het is een bonte verzameling spelers die hij in de loop der jaren liet voortleven in De Kuip. Peter van Vossen bijvoorbeeld, maar ook Henk Fräser, Ulrich van Gobbel, Thomas Buffel, Ebi Smolarek en natuurlijk lieveling Paul Bosvelt. De selectie maakt hij puur op gevoel.
‘Ze moeten aardig zijn. Aardige, normale jongens en echte Feyenoorders. Dat vind ik belangrijker dan dat ze de sterren van de hemel kunnen voetballen,’ zegt Coen, die dan ook jaren een spandoek van Ferry de Haan meezeulde. ‘Ja, Ferry. Wereldgozer. Echte Feyenoorder.’
Daarom deed het Coen ook pijn dat er vorig seizoen zo veel kritiek was op Patrick Paauwe, voor wie hij ook een speciaal spandoek heeft laten maken. Natuurlijk, hij zag ook wel dat de voormalig aanvoerder niet aan zijn beste seizoen bezig was. Maar meer dan de schoonheidsfoutjes in het heden tellen de prestaties in het verleden. ‘Paauwe heeft wel de UEFA Cup gewonnen, hoor. Dat mogen we nooit vergeten,’ zegt Coen. ‘Beetje meer respect graag.’

De schoenen waarmee Paauwe de UEFA Cup won, staan bij Coen thuis op zolder. Dat is niet zo gek als het klinkt, want er staat wel meer bij Coen thuis op zolder. Als de kans zich voordoet, gedraagt hij zich in De Kuip als een ekster in een juwelierszaak. Zo ontstond een Feyenoord-verzameling om u tegen te zeggen.
In Coens huis is zijn obsessie voor Feyenoord gematerialiseerd in de roodwitte inboedel van twee kamers en een overloop waar een overweldigende hommage wordt gebracht aan Feyenoords verleden.
Tussen de foto’s, posters, sjaals en petten zien we ontelbare persoonlijke relikwieën. Het shirt van Taument. De schoenen van Ulrich van Gobbel. Het knvb-horloge dat Peter van Vossen kreeg na zijn interland tegen Italië. Een kerstkaart van Willem van Hanegem. Opvallend veel spullen van Paul Bosvelt, de grote favoriet: zijn shirt, zijn aanvoerdersband, zelfs zijn complete clubkostuum hangt er.
‘Altijd handig voor een begrafenissie,’ zegt Coen.

De kick van het verzamelen zit hem niet zozeer in het binnenslepen van allerlei spullen als wel in het constant in gedachten rangschikken van de eigen collectie, zoals kinderen doen met hun schelpen na een dagje aan het strand.
Je kunt een verzamelaar dan ook geen groter plezier doen dan te vragen wat hij als eerste uit zijn huis zou redden wanneer het in brand zou staan.
Als ik Coen dat plezier heb gedaan, schieten zijn ogen heel even heen en weer van kamer naar kamer. Dan loopt hij vrij gedecideerd naar de vensterbank, opent een kistje en vist er een gekreukeld oranje kaartje uit. Daarop staat, in zwarte letters: Milano ‒ Stadio S. Siro. En daaronder, ook in het zwart: Mercoledi ‒ 6 maggio 1970.
Het is het kaartje van zijn vader. Meneer De Jong was erbij toen Feyenoord in Milaan geschiedenis schreef. Een dag later, in de trein terug naar Rotterdam, trok meneer De Jong zich even terug met mevrouw De Jong. In één van de coupés verwekten ze samen een kind. Negen maanden later werd hun zoon geboren. Dat ze hem Coen noemden, was geen toeval.
Direct na afloop van de verloren wedstrijd tegen Ajax verschijnen ze beeldvullend op televisie. Vader en zoon, allebei in Feyenoord-shirt. De jongste ligt huilend in de schoot van de oudste.Wéér niet gewonnen van de aartsrivaal. De spelers zijn allang naar binnen, maar op de tribune blijven de tranen maar stromen. Nog diezelfde week zijn er drie televisieteams naar hen op zoek. Het zoete lijden van de Feyenoord-supporter blijft mediageniek.
Het huilende jongetje blijkt Roel te heten, gaat naar de basisschool en is fan van Dirk Kuyt en Patrick Lodewijks. Een week na de domper tegen Ajax staan we samen met zijn vader Ruud in het Home of History.
Ruud zegt dat Roel het de afgelopen week niet prettig heeft gehad. Iedereen herinnerde hem aan het pijnlijke verlies van Feyenoord. Iedereen had ook zijn tranen gezien. Roel werd er op school mee gepest. Op nationale televisie huilen om Feyenoord is geen goede manier om je populair te maken in groep 7.
Tot overmaat van ramp staat de school van Roel ook nog in de buurt van Amsterdam. Het enige waar hij zich zodoende aan kon vasthouden, was de onvolprezen oneliner van lotgenoot Gerard Cox: ‘Feyenoord-supporter ben je niet voor je lol.’
Roel heeft vanmiddag de keepershandschoenen van Patrick Lodewijks gekregen. Daarna kwam Dirk Kuyt zijn shirt brengen. Ze hadden Roel op televisie gezien en medelijden gekregen. Dat maakte een hoop goed. Daarna heeft zijn vader hem meegenomen naar het Home of History.
Net als iedereen zijn ze hun tour begonnen bij de Europa Cup. Nu schuifelen ze door de rest van het museum. Roel wordt door zijn vader ingewijd in de geschiedenis van Feyenoord. Het is voor beiden een moment van grote verbondenheid. Clubliefde verankert zich het sterkst in de ziel als hij van vader op zoon wordt overgedragen. Dat komt omdat bij ontrouw niet alleen de club, maar automatisch ook de vader wordt bedrogen.
Ajax-supporters vertellen hun kinderen waarschijnlijk verhalen over Marco van Basten, de beste spits ter wereld, het puntertje van Kluivert in Wenen of over één van die 29 landstitels. Maar Feyenoord-supporters groeien op met de mythische verhalen over de colaflesjes die Ernst Happel achteloos van de lat schoot, de heroïsche tochten van De Groote Beer en De Waterman en de 20.000 mensen die in De Kuip zouden zitten als Coen Moulijn er alleen maar zou komen klaverjassen.
Roel heeft ondertussen al een hele tijd zijn neus tegen een van de vitrines geduwd. Zijn adem zorgt voor condens op het glas. Straks zal Roel er met zijn vinger een F in tekenen.
‘Die meeuw is dood,’ hoor ik Ruud zeggen. ‘Maar Treijtel leeft volgens mij nog.’
Ruud weet hoe donker de dagen kunnen zijn na een verliespartij tegen Ajax. Roel wist dat nog niet. Hij is pas tien. Maar nu weet hij het ook. Daarom probeert Ruud in het museum de tijd even terug te draaien voor zijn zoon. Tijdens het vertellen aait hij hem de hele tijd over zijn bol.
Ik moet denken aan Luuk, die zegt dat pijn ook fijn is. Aan John Corsten, die ooit dacht dat hij Coen Moulijn was. Ik denk aan de bril van Joop uit de Pantserstraat en aan Coen Moulijn, die zijn leven nooit zou willen overdoen. En ik denk aan al die trouwe Feyenoord-supporters, die troost vinden in een verleden dat leeft.
‘Kijk,’ zegt Ruud en hij wijst in Feyenoords museum naar een grote foto.
‘Wie is dat?’ vraagt Roel.
‘Dat is John de Wolf. Als hij nog had gespeeld, was dit allemaal niet gebeurd.’